De Formanje
Bijzondere Editie 1996
Maandblad van de Doopsgezinde Gemeente te Surhuisterveen


Geachte dorpsgenoten

Voor u ligt een bijzondere editie van "De Formanje". In een notedop wordt hierin de geschiedenis van Menno Simons beschreven. Een vlugschrift, omdat de Doopsgezinden dit jaar het feit vieren dat 500 jaar geleden hun leidsman Menno Simons werd geboren.
Menno is tevens de vroegste Nederlandse kerkhervormer. Van dit gedenkwaardige feit wil de Doopsgezinde Gemeente Surhuisterveen u graag in kennis stellen.

Menno Simons
1496-1561

In het Friese dorp Witmarsum werd in 1496 geboren Minne, de zoon van Symen. Hij groeide op in roerige tijden. Politieke troebelen, zieken, overstromingen werden gezien als tekenen dat het einde der wereld nabij was. Ook gingen geruchten over een hervorming van kerk en samenleving.
Misschien wel redenen voor Menno om zich in het geloof te verdiepen. Hij kreeg een priesteropleiding en werd in 1524 in Pingjum als vicaris aangesteld.
Al spoedig moest hij standpunten bepalen ten aanzien van kerkelijke nieuwlichterijen: aflaten, relikwiëen en water om de erfzonde af te wassen. Konden die garanderen dat de gelovigen behouden zouden worden? Al die vragen brachten Menno ook aan het twijfelen. Hij begon opnieuw, met andere ogen, de bijbel te lezen.
In 1531 bereikte hem het gerucht dat er in Leeuwarden een kleermaker, afkomstig uit Emden, was terecht gesteld omdat die zich opnieuw had laten dopen.
Dit bericht bracht Menno er opnieuw toe de bijbelse gronden van de kinderdoop te bestuderen. Ondanks zijn grote twijfel aan de praktijken van de Rooms Katholieke kerk bleef hij als kritisch priester op zijn post.
Eind 1532, begin 1533 werd Menno tot pastoor benoemd in zijn geboortedorp Witmarsum.
In de volgende jaren raakte de hervorming in de Nederlanden in een stroomversnelling. Velen lieten zich door doperse oudsten opnieuw dopen: de wederdoop.
Een wanhopige en opgejaagde groep dopes kreeg eind maart 1535 het Oldeklooster bij Bolsward in handen. De dopers, onder wie de broer van Menno, kwamen bij de herovering van het klooster, door de stadhouder, om het leven. Al die troebelen, het eigen twijfelen aan de Roomse Katholieke kerk, de sympathie met de oprechte, boetvaardige vroomheid van de dopers die hij kende, leidden er toe dat Menno de moederkerk verliet.
Op 12 januari 1536 gaf hij zijn patoorsambt en ruime leven op. Het was zijn "uitgang uit het pausdom", hij vluchtte uit "Babel" om zich naar "Jeruzalem" te begeven. Voortaan moest hij als een paria door het leven gaan. Hij trok zich terug in de provincie Groningen, waar de vervolging minder streng was dan in Friesland.


Menno legde zich toe op studie en schrijven. Hij trad daar in het huwelijk met Geertruid. Begin 1537 werd hij door een groep dopers gevraagd om als oudste (ook wel bisschop of opziener genoemd) op te treden.
Van 1537 tot 1544 vonden Menno en zijn gezin een toevluchtsoord in Oost-Friesland. In die periode zagen vele geschriften van zijn hand het licht. Alle belangrijke thema's van zijn theologie en gemeenteopvatting zijn daarin te vinden.
Menno wilde het geloof en de gemeente opnieuw en alleen op bijbelse gronden funderen, in navolging van de woorden en daden van Christus en zijn apostelen. Tevens verzette hij zich tegen de oproerige geestverwanten en pleitte zeer sterk voor geweldloosheid. Ook werd streng de hand gehouden aan de zelf opgelegde tucht in de gemeente. Een bemoeienis van de overheid bij die tucht werd geheel verworpen. Door zijn opvattingen kreeg Menno het stempel van staatsgevaarlijk. Menno trok als balling naar het Rijnland, waar hij velen gedoopt en aan de doperse gemeenten heeft toegevoegd.
Van 1546 tot 1555 vond Menno Simons zijn toevlucht in de Hanzesteden Lübeck en Wismar. Zijn bezoekreizen strekten zich uit van Groningen tot Dantzig.
De laatste zeven levensjaren sleet Menno Simons op het landgoed Fresenburg van de edelman Bartolomeus van Ahlefeldt te Oldesloo, tussen Lübeck en Hamburg gelegen. Door de beschikking over een eigen drukpers kon Menno voldoen aan de toenemende vraag naar zijn geschriften.
In december 1560 is Menno bedlegerig geworden. Op de 13e januari 1561 overleed hij, 25 jaar na zijn "uittocht uit Babel". Een bescheiden gedenksteen geeft daar de vermoedelijke plaats van zijn graf aan.

Doopsgezind Geloofsleven

De Doopsgezinden, ook wel Mennonieten genoemd, hebben geen leerstellingen ontwikkeld, waarin iedereen moet geloven. Ze kennen geen dogma's.
Het belijden van het geloof gaat aan de doop vooraf. Vandaar dat de Doopsgezinden alleen maar de volwassendoop kennen.
De Gemeente is belangrijk voor de Doopsgezinden, omdat ze daar met elkaar kunnen leren om het leven naar Bijbelse maatstaven in te richten. Het praktisch gestalte geven aan het geloof in leven en werken heeft veel aandacht.
De lijfspreuk van de Doopsgezinden is dan ook:





Dopen wat mondig is
Spreken dat bondig is
Vrij in't Christelijk geloven
Daden gaan woorden te boven